Padeltermen: de complete woordenlijst van A tot Z

Het korte antwoord
Je eerste padelavond bestaat voor de helft uit padeltermen die je nog nooit hebt gehoord. Iemand roept dat je een bandeja moest slaan, de trainer heeft het over je revéskant, en op de club hangt een bordje over het punto de oro. Dat is geen toeval. Padel is groot geworden in Spanje en Argentinië, de meeste slagen hebben daar hun naam gekregen, en die namen zijn met de sport mee naar Nederland gereisd zonder ooit vertaald te worden.
Wij hebben deze woordenlijst bewust niet alfabetisch gezet. Een rij van A tot Z leest prettig als je precies één woord zoekt, maar je leert er niets van, want termen die bij elkaar horen staan dan tien regels uit elkaar. Daarom zijn ze hier gegroepeerd per onderwerp. Zoek je één woord, gebruik dan de zoekfunctie van je browser, meestal Ctrl+F of op een Mac Command+F.
Elke term krijgt een definitie van één tot drie zinnen. Dat is expres kort: dit is een woordenboek, geen cursus. Van de slagen die echt uitleg verdienen hebben wij aparte pagina's, en daar linken wij vanaf hier naartoe. Wil je de slagen uitgebreider zien, met het moment waarop je ze speelt en de fout die er het vaakst mee wordt gemaakt, ga dan naar alle padelslagen op een rij. Ben je net begonnen, dan is beginnen met padel het logische startpunt.
Wij hebben elke term bij minstens twee onafhankelijke bronnen gecontroleerd. Voor de maten, de telling en de regels houden wij de officiële regels van de internationale padelfederatie aan. Termen waarvan wij de betekenis niet konden bevestigen, staan hier niet in.
De baan en het materiaal
Begin hier, want een groot deel van de rest wordt pas logisch als je weet hoe een baan in elkaar zit. De maten hieronder komen uit het volledige FIP-reglement en staan ook in het overzicht van de officiële baanmaten.
Baan. Het speelveld is 10 meter breed en 20 meter lang, gemeten aan de binnenkant, en het is helemaal omsloten door wanden en gaas. Het net verdeelt de baan in twee helften van 10 bij 10 meter. Alle lijnen zijn 5 centimeter breed.
Glaswand. De doorzichtige wanden van gehard glas, achterin 3 meter hoog en aan de zijkanten alleen in het achterste deel van de baan. De bal blijft na de stuit gewoon in het spel als hij het glas raakt, en je mag hem via je eigen glas terugspelen zolang hij eerst de grond heeft geraakt.
Hekwerk. Het metalen gaas dat de omheining boven en naast het glas afmaakt, met ruitvormige mazen tussen 5 en 7,08 centimeter. Belangrijk verschil met glas: de bal springt er onvoorspelbaar en zonder snelheid vanaf, en je mag hem niet bewust via je eigen hekwerk terugspelen.
Net. Het net is 88 centimeter hoog in het midden en 92 centimeter bij de palen. Het hangt dus lager dan een tennisnet en het is in het midden het laagst, wat verklaart waarom zoveel ballen door het midden worden gespeeld.
Servicelijn. De lijn op 6,95 meter van het net, evenwijdig aan het net. Bij de opslag sta je erachter, en de bal moet in het diagonale vak vóór die lijn landen.
Middenlijn. De lijn die loodrecht op het net staat en het gebied tussen net en servicelijn in twee servicevakken verdeelt. Hij loopt minstens 20 centimeter door voorbij de servicelijn, zodat je bij een voetfout kunt zien waar je staat.
Kooi. De verzamelnaam voor de hele omheining rond de baan. Achterin is die 4 meter hoog, opgebouwd uit 3 meter glas met een meter gaas erboven, en aan de zijkanten loopt hij terug naar 3 meter. Die twee hoogtes geven de slagen por tres en por cuatro hun naam.
Protector. De zelfklevende beschermrand, meestal van soepel TPU, die over de bovenrand van je racketblad zit. Hij vangt de klappen op tegen het glas en de vloer en voorkomt zo scheurtjes in de rand. Hoe je hem plakt en wanneer je hem vervangt, lees je bij de padelprotector.
Overgrip. Het dunne bandje dat je over de bestaande grip heen wikkelt voor houvast en zweetopname. Vrijwel alle spelers gebruiken er een, en je vervangt hem om de paar weken. Meer daarover bij grip en overgrip.
Grip. De originele greep die vanaf de fabriek om het handvat zit. Die bepaalt de basisdikte van je handvat: een dikke grip plus twee overgrips maakt je handvat merkbaar groter en verandert hoe je het blad kunt draaien.
Blad. Het slagvlak van je racket. Het is massief, heeft geen snaren en zit vol gaatjes. De buitenlagen zijn van carbon of glasvezel, en de vorm van het blad bepaalt waar het trefvlak ligt. Zie de vorm van je racket.
Kern. Het schuim tussen de twee vlakken van het blad. EVA is het hardere, duurzamere schuim, foam is zachter en comfortabeler voor je arm. Dit is het onderdeel dat je het minst ziet en het meest voelt, en wij vergelijken ze bij EVA of foam als kern.
Balans. Het evenwichtspunt van het racket, gemeten in centimeters vanaf het uiteinde van het handvat. Padelrackets zitten meestal tussen 25 en 29 centimeter. Hoe hoger dat getal, hoe kopzwaarder het racket: meer kracht in de smash, maar minder wendbaar aan het net.
Trefvlak. De sweet spot, oftewel het gebied op het blad waar de bal het schoonst vertrekt en de trilling het kleinst is. Bij een rond racket ligt het midden op het blad en is het groot, bij een diamantvorm ligt het hoger en is het kleiner.
Polskoord. Het niet-elastische koordje aan het handvat dat je om je pols doet. Het mag volgens het reglement maximaal 35 centimeter lang zijn en het gebruik is verplicht, want een losvliegend racket is de gevaarlijkste situatie op een padelbaan.
De slagen, kort uitgelegd
Hieronder staan de slagen als woordenboekdefinitie, dus in één of twee zinnen. Wil je per slag ook weten wanneer je hem speelt, hoe hij technisch werkt en welke fout er het vaakst mee wordt gemaakt, dan staat dat allemaal op onze pagina over de padelslagen.
Service. De opslag, in het Spaans de saque. Je laat de bal eerst zelf één keer stuiten, raakt hem daarna onderhands en op of onder heuphoogte, en speelt hem diagonaal in het servicevak schuin tegenover je.
Return. De slag waarmee je de service terugspeelt. In padel is dit vrijwel altijd een verdedigende slag, omdat het serverende koppel naar het net onderweg is.
Volley. De volea: de bal uit de lucht spelen zonder hem eerst te laten stuiten. Aan het net is dit je standaardslag, en je blokt de bal met een korte beweging in plaats van uit te halen.
Bandeja. Spaans voor dienblad. Een gecontroleerde slag boven schouderhoogte met onderspin, waarmee je de bal laag neerlegt en zelf aan het net blijft staan in plaats van te scoren. Alles over de techniek staat in de volledige uitleg over de bandeja.
Vibora. Spaans voor adder. De aanvallende variant van de bandeja: je snijdt langs de buitenkant van de bal, waardoor er zijspin op komt, de bal laag blijft en hij na de stuit wegschiet richting het zijglas. Zie de volledige uitleg over de vibora.
Smash of remate. De echte klap van boven naar beneden, bedoeld om het punt af te maken. In padel gaat de bal daarna vaak via het achterglas van je tegenstander weer omhoog, dus een smash is niet automatisch een gewonnen punt.
Bajada. Letterlijk de afdaling. De aanvallende slag op een bal die na een hoge stuit van het achterglas terugkomt, waarbij je hem van boven naar beneden meeneemt en meteen druk zet. Hiermee draai je van verdedigen naar aanvallen.
Chiquita. Het kleine balletje: een zachte, lage bal vanaf de achterlijn die vlak over het net naar de voeten van de netspeler valt. Je speelt hem om de aanval van je tegenstander te breken zonder een lob te riskeren.
Globo of lob. De hoge, diepe bal over de netspelers heen. In padel is dit geen noodgreep maar een kernslag, want het is de enige manier om het net over te nemen van een koppel dat er al staat.
Contrapared. De tegenwand: je slaat de bal bewust tegen je eigen achterglas, zodat hij daarvandaan over het net gaat. Dat mag, en het is het laatste redmiddel bij een bal die vlak achter je dood dreigt te vallen.
Por tres. Letterlijk over de drie. Een smash met veel topspin die zo hoog van het glas opspringt dat de bal aan de zijkant over de kooi van 3 meter naar buiten verdwijnt.
Por cuatro. Hetzelfde idee, maar dan aan de achterkant, waar de kooi 4 meter hoog is. De bal stuitert en verdwijnt over de achterste omheining naar buiten.
Rulo. De rol: een bovenhandse slag met veel topspin die je langzamer speelt dan een smash, vaak op een lob over je niet-slaghandschouder. Doordat de bal draait, springt hij na de stuit onvoorspelbaar op of schiet hij opzij weg.
Dejada. De dropshot: een kort, zacht balletje dat vlak achter het net valt, meestal gespeeld vanuit een volley terwijl je tegenstanders achterin staan. De naam wordt in het Spaans vooral gebruikt voor een dropshot die zo goed is dat er niemand meer voor in beweging komt.
Wat bij al deze slagen meespeelt: het effect komt er alleen op als je bal nog leeft. Zijn je ballen plat, dan blijft er van snijding en topspin weinig over. Meer daarover bij padelballen.
Het spel en de telling
De telling van padel is die van tennis, met één belangrijke afwijking die je op vrijwel elke Nederlandse club tegenkomt. Alle regels hieronder staan in het volledige FIP-reglement, en wij leggen ze uitgebreider uit in onze uitleg van de padelregels.
Punt. De kleinste eenheid in de telling. Binnen een game tel je 15, 30, 40 en dan game, waarbij 0 als "love" wordt geteld. Een punt eindigt zodra een koppel de bal niet meer goed terugspeelt.
Game. Een game win je met vier punten, dus zodra je na 40 nog een punt pakt, en altijd met minstens twee punten verschil. Staat het 40-40, dan heet dat deuce en moet je in de klassieke telling twee punten achter elkaar winnen.
Set. De eerste die zes games wint pakt de set, altijd met minstens twee games verschil. Een wedstrijd gaat om twee gewonnen sets, dus het best van drie.
Tiebreak. Bij 6-6 in games speel je een tiebreak. Die win je met zeven punten en twee punten verschil, de opslag wisselt na het eerste punt en daarna telkens na twee punten, en je wisselt van kant na elke zes punten.
Gouden punt of punto de oro. De variant zonder voordeel: bij 40-40 beslist één punt de hele game. Het ontvangende koppel kiest aan welke kant het de service wil ontvangen. Deze telling is standaard geworden omdat wedstrijden er korter en beter planbaar door worden.
Break. Een game winnen op de opslag van je tegenstanders. Omdat de opslag in padel bewust ontkracht is, is een break hier veel gewoner dan in tennis en zegt hij minder over het verschil in niveau.
Dubbelfout. Twee foute services achter elkaar. Het punt is dan meteen voor de ontvangers. Een service is onder meer fout als de bal buiten het juiste vak landt, als je hem boven heuphoogte raakt of als hij na de stuit in het vak eerst het hekwerk raakt.
Let. Overspelen zonder gevolg. De bekendste is de netservice: raakt de bal het net of de netpaal en valt hij daarna toch goed in het servicevak, dan speel je die service over. Een let geldt ook als de bal kapotgaat of als er iets van buitenaf het spel onderbreekt.
Uit. Een bal is uit als hij buiten het juiste vak landt, als hij eerst een wand of het hekwerk raakt voordat hij de grond raakt aan de andere kant, of als hij na de stuit over de omheining de baan uit vliegt zonder dat de club buitenspel toestaat.
Dubbele stuit. De bal mag maar één keer stuiten voordat je hem terugspeelt. Stuit hij een tweede keer, dan is het punt voorbij. Dit is precies de reden dat een goede dropshot zo dodelijk is.
Tactiek en positie
Deze woorden hoor je vooral van je trainer en van je partner. Ze gaan niet over hoe je de bal raakt maar over waar je staat en wat je van plan bent. Hoe je ze in een wedstrijd omzet, staat op onze pagina over padeltactiek.
Netpositie. De positie waarbij beide spelers van een koppel vlak bij het net staan, ongeveer ter hoogte van de servicelijn of iets daarvoor. Dit is de sterkste plek op de baan, en het grootste deel van padel gaat over het veroveren en vasthouden van die plek.
Achterlijn. Het achterste deel van je speelhelft, tegen het achterglas aan. Vanaf daar verdedig je, laat je ballen langs je gaan om ze na het glas te spelen, en bouw je met lobs een aanval op.
De aanvallende positie. Aan het net. Je speelt volleys, bandeja's en smashes, je neemt de bal zo vroeg mogelijk en je dwingt je tegenstanders om omhoog te spelen. Het koppel dat aanvalt, wint op recreatief niveau verreweg de meeste punten.
De verdedigende positie. Achterin. Je doel is niet om te scoren maar om de bal in het spel te houden tot je een lob of een chiquita kunt spelen waarmee je de aanval overneemt. Geduld is hier de belangrijkste vaardigheid.
Niemandsland. Het gebied halverwege, tussen de servicelijn en de achterlijn. Je staat er te ver naar voren om een bal na het glas te spelen en te ver naar achteren om te volleren. Er is bijna geen slechtere plek om te blijven staan.
Wisselen. Van kant ruilen tijdens een punt, waarbij de ene speler naar een hoek gaat en de andere het midden overneemt. Het gebeurt vaak vanzelf na een lob naar de kant van je partner, en het gaat alleen goed als je het hardop aankondigt.
Het midden. De ruimte tussen je twee tegenstanders. Omdat het net daar het laagst is en beide spelers moeten beslissen wie gaat, is een bal door het midden vaak effectiever dan een bal langs de lijn.
De zwakke kant. De speler of de slag waar je bewust op mikt, meestal de backhand of de mindere van de twee tegenstanders. In het Spaans heet het uiterste hiervan de nevera, waarbij je één tegenstander een hele game lang volledig negeert.
Drive- en revéskant. De twee kanten van de baan, gezien vanuit een rechtshandig koppel. Rechts is de drivekant, waar de forehand het meeste werk doet en de speler het midden dekt. Links is de revéskant, waar de backhand belangrijk is en vanwaar de meeste bandeja's en vibora's worden geslagen. Vrijwel elk koppel kiest een vaste verdeling.
Spaanse termen die je op de baan hoort
Speel je met Spanjaarden, kijk je naar een wedstrijd of volg je een trainer die veel in Spanje is geweest, dan vallen deze woorden vanzelf. De meeste zijn gewoon beschrijvend zodra je de vertaling kent.
Pala. Het racket. Letterlijk betekent het schep of spaan, wat vrij precies beschrijft hoe een padelracket eruitziet: massief, plat en zonder snaren.
Pista. De baan. Je hoort het vooral in samenstellingen, zoals fondo de pista voor het achterste deel van de baan.
Pared en cristal. Pared is de wand, cristal het glas. In de praktijk worden ze door elkaar gebruikt voor hetzelfde ding, en "sale de pared" betekent dat de bal van de wand terugkomt.
Reja of verja. Het metalen hekwerk. Roept iemand reja, dan zit de bal richting het gaas en weet je dat hij er dood vanaf komt.
Red. Het net. "En la red" betekent aan het net, dus in de aanvallende positie.
Rincón. De hoek van de baan, waar zijwand en achterwand samenkomen. Dat is de lastigste plek om een bal op te halen, en daarom een geliefd doelwit.
Saque en cuadro de saque. De service en het servicevak waarin die moet landen.
Derecha en revés. Forehand en backhand, en tegelijk de namen van de twee kanten van de baan.
Salida de pared. Letterlijk het vertrek van de wand: de bal spelen nadat hij van het glas is teruggekomen. Voor beginners is dit het lastigste onderdeel van het hele spel, omdat je moet leren wachten.
Bloqueo. De blokvolley: je haalt niet uit maar zet je racket vast achter de bal en gebruikt de snelheid die er al op zit. Dit is de volley waarmee je een harde bal onschadelijk maakt.
Gancho. De haak: een bovenhandse slag die je maakt terwijl de bal al half achter je is, met een hakende beweging over je hoofd heen. Een noodgreep, geen aanval.
Dormilona. De slaapkop: een heel zacht balletje, meestal als antwoord op een smash, dat net over het net valt en daar zo goed als stil blijft liggen.
Amago. De schijnbeweging: je doet alsof je gaat smashen en speelt op het laatste moment iets anders, bijvoorbeeld een dejada. Werkt precies één keer per set.
Willy. De bal tussen je benen door slaan, met je rug naar het net, nadat je een smash de baan uit bent achterna gerend. Spectaculair, zelden nuttig.
Nevera. De koelkast: de tactiek waarbij je één tegenstander systematisch overslaat, zodat die koud wordt en uit ritme raakt.
Punto de oro. Het gouden punt bij 40-40, uitgelegd in de sectie over de telling hierboven.
De tien termen die je als beginner het eerst kent
Als je maar tien woorden meeneemt naar je eerste padelavond, neem dan deze. Ze komen alle tien in je eerste uur voorbij, en bij elk woord staat waarom je het moet weten.
| Term | Wat het betekent | Waarom je het moet weten |
|---|---|---|
| Bandeja | Gecontroleerde slag boven schouderhoogte met onderspin | Dit is het antwoord op elke lob. Zonder bandeja verlies je het net elke keer dat er een bal over je heen gaat |
| Globo of lob | Hoge diepe bal over de netspelers heen | De enige manier om het net over te nemen. Op recreatief niveau de slag met de hoogste opbrengst |
| Volley | De bal uit de lucht spelen, zonder stuit | Je standaardslag aan het net, en dus de slag waarmee je de aanvallende positie vasthoudt |
| Netpositie | Beide spelers vlak bij het net | De sterkste plek op de baan. Vrijwel elk punt gaat over wie hem heeft |
| Salida de pared | De bal spelen nadat hij van het glas terugkomt | Zonder dit geduld geef je achterin punten weg die je gewoon had kunnen redden |
| Punto de oro | Bij 40-40 beslist één punt de game | De standaardtelling op de meeste clubs. Weet je het niet, dan sta je verbaasd te kijken bij deuce |
| Dubbele stuit | De bal mag maar één keer stuiten | Bepaalt hoe vroeg je moet lopen, en verklaart waarom een dropshot zo effectief is |
| Chiquita | Zacht balletje naar de voeten van de netspeler | Je tweede uitweg vanuit de verdediging, naast de lob, en veel veiliger dan hard slaan |
| Drive- en revéskant | De rechter- en de linkerhelft van de baan | Je spreekt vooraf af wie waar staat. Doe je dat niet, dan sta je allebei op dezelfde bal |
| Polskoord | Verplicht koordje van maximaal 35 cm aan je racket | Een losvliegend racket is het grootste risico op een padelbaan. Op veel clubs word je erop aangesproken |
Valt je iets op aan deze tien? Er staat geen enkele krachtslag bij. Geen smash, geen vibora, geen por tres. Dat is geen toeval: padel wordt op recreatief niveau beslist door positie, geduld en communicatie, niet door snelheid. Precies daarom zijn dit ook de tien termen die je trainer in je eerste lessen het vaakst zal gebruiken.
Weet je nog niet welk racket bij je manier van spelen past, doe dan onze keuzehulp. Die vraagt in twee minuten naar je niveau, je speelstijl en je budget en komt daarna met een richting in plaats van een merk.
Veelgestelde vragen
Verder lezen
Een woordenlijst is een kaart, geen wandeling. Deze pagina's gaan de diepte in op de onderwerpen die je hierboven bent tegengekomen.
De slagen zelf: alle padelslagen op een rij zet ze allemaal op een rij met het moment waarop je ze speelt, en er zijn aparte pagina's voor de volledige uitleg over de bandeja en de volledige uitleg over de vibora.
Regels en telling: de padelregels op een rij legt de service, het glas, de telling en het gouden punt rustig uit.
Spelen en stellingnemen: begin bij beginnen met padel en ga daarna verder met padeltactiek, waar de positiewoorden uit deze lijst in een wedstrijd worden gezet.
Je materiaal begrijpen: de vorm van je racket bepaalt waar je trefvlak ligt, EVA of foam als kern bepaalt hoe hard je racket aanvoelt, en grip en overgrip is het goedkoopste onderdeel met het grootste effect. Vergeet de padelprotector niet, want die scheelt je een gescheurde rand.
De rest van je tas: welke padelballen bij welke baan horen, want zonder levende bal komt er van al die spin weinig terecht.
Nog geen racket: doe de keuzehulp en je weet binnen twee minuten welke richting bij je past.
Wil je zelf zien hoe de sport is opgebouwd, kijk dan bij de officiële regels van de internationale padelfederatie. Daar staan de baanmaten, de nethoogte en de telling in het reglement zelf, en dat leest een stuk prettiger dan je zou denken.
De twee knoppen hieronder zijn zoeklinks naar webshops, en het zijn affiliatelinks: koop je er iets, dan ontvangen wij mogelijk een kleine vergoeding van de winkel en betaal jij niets extra. Hoe dat werkt, staat in onze affiliate disclosure.